TUSSEN DE ROTTERDAMSE ZWERVERS

Door de bezuinigingen in de geestelijke gezondheidszorg en de toestroom van illegale vluchtelingen, leven steeds meer mensen op straat. Verslaggever Sophie Wassink verliet zonder geld, eten, ID en telefoon haar veilige stulpje om te ontdekken hoe hard het leven op straat is.

Ga met mij mee, jij moet mijn vrouw worden, je bent klein en kunt tenminste niet wegrennen,’ zegt Marcel bloedserieus. Marcel is een van de eerste daklozen die ik ontmoet. Een vunzige man van rond de veertig die rondsloft met een kussen en een plastic AH-tas, waarin hij mij het liefst mee naar ‘huis’ wil nemen. Met mijn lengte van 1.60m pas ik nog in die tas ook. Marcel is van de complottheorieën, het systeem deugt niet, drugs zijn van de duivel en niets of niemand is te vertrouwen. Hij ratelt maar door. Na elke zin legt hij zijn vieze, vlezige hand op mijn been, die ik vervolgens vriendelijk terugleg. Naïef als ik ben, is de angst nog niet te voelen. Op het moment dat hij zijn hand op zijn zichtbaar stijve pik legt, besluit ik dat het tijd wordt om op te stappen. De afgelopen jaren konden vijfduizend daklozen van straat worden gehaald, onder meer door opvang in GGZ-instellingen. De komende drie jaar zal er in totaal tien miljoen euro worden bezuinigd op hulp voor dak- en thuislozen.

In het zwart

’s Avonds wandel ik met Zyros het donker in. ‘Het is veiliger op straat als ik bij je ben.’ De schat. Zyros is een beschaafde man, volledig gekleed in het zwart. Na ontslag is hij in de ellende beland. Hij heeft wel een slaapplek, ergens bij Hoek van Holland, en wacht tot hij weer voor een sociale huurwoning in aanmerking komt. We lopen langs overvolle barretjes en luxe restaurants die niet voor ons zijn weggelegd. Ik vind het niet eens erg, honger heb ik nog niet. We lopen langs de bieb, waar twee daklozen liggen te dutten. ‘Zij kiezen ervoor om op straat te slapen. Er is meestal genoeg plek in de nachtopvang, maar niet iedereen vindt het prettig daar,’ vertelt Zyros. De nachtopvang zou een plek zijn waar je met tien man op een zaal slaapt waar volop drugs worden gebruikt, waar je spullen niet veilig zijn en waar de bewaking liever geniet van een kop koffie dan in actie komt. Ik word een klein beetje bang van zijn verhaal. Mijn plan nachtopvang. Maar waarschijnlijk kom ik er toch niet in. In Rotterdam geldt een regiobeleid. Als dakloze kom je alleen in aanmerking voor een slaapplaats in de nachtopvang als je kunt aantonen dat je twee jaar in Rotterdam hebt gewoond. Kun je dat niet, dan word je teruggestuurd naar de gemeente waar je vandaan komt. Toch maar niet dan. Zyros stelt voor om de nacht bij hem door te brengen. Hij heeft een kamer met een bed. Ik twijfel. De verleiding is groot, maar ik durf niet. Samen slapen in een kamertje, daar kan mijn pepperspray niet tegenop. Ik schud hem van me af en loop alleen verder.

Het Oude Noorden

Het is donker, koud en het waait. Ik loop liever dan dat ik stilsta en beland, voor mijn gevoel na uren lopen, in het Oude Noorden. Mijn voeten doen zeer en ik heb het koud. Ik loop langs de Klok. Een oude kroeg op de hoek. Het is er druk, gezellig en vast warm. Ik bestel een biertje voor €2,20. Dat is een dure grap. In de Klok ontmoet ik Paul. Een vriendelijke man, die al meer bier opheeft dan ik op dit moment ooit kan betalen. Hij vertelt me dat hij jaren aan heroïne verslaafd is geweest. Hij heeft altijd werk en een huis gehad waardoor hij nooit op straat is komen te staan. Ik mag die Paul wel. Het is nu bijna twintig jaar geleden dat hij de laatste spuit in zijn arm zette. Zijn nieuwsgierigheid was de oorzaak van zijn verslaving en hij waarschuwt me: ‘Jij bent net zo nieuwsgierig als ik was vroeger, je moet het niet willen weten.’ Paul biedt me een slaapplek aan. Ik spring achterop zijn fiets en we slingeren de nacht in. Of het slim is weet ik niet, maar ik ben bekaf, heb het ijskoud en het bier is naar mijn hoofd gestegen. We slalommen door lange, smalle, verlaten straatjes. Ik heb geen idee hoe laat het is. ‘Kijk omhoog!’ roept hij opeens. ‘Zie je wel hoe mooi de maan is?’ Ik  glimlach en geloof dat ik wel goed zit achterop die fiets. We fietsen een wijk in die volstaat met flats. Vloerkleedjes hangen over de balkons, de schotels ernaast. ‘Welkom in het kalifaat, het kalifaat van Rotterdam,’ grapt Paul. Hij houdt zich aan zijn woord en klapt een kampeerbedje voor me uit. Geeft me de volgende morgen een kop koffie en daar ga ik weer.

Gepubliceerd in de Nieuwe Revu, 3 juni 2015. Verder lezen? Klik hier

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *